Hoewel de vriestester-set veel voordelen heeft, zijn er ook enkele beperkingen en aandachtspunten. Ten eerste levert de set indicatieve resultaten en geen precieze chemische analyse. De testers werken op het principe van drijfwaarden die corresponderen met vorst- en kookpunten; dit geeft een goede praktische indicatie maar kan geen exacte procentuele concentratie van ethyleenglycol of propyleenglycol bepalen. Voor exacte concentratiebepaling of het vaststellen van verontreiniging is een refractometer of laboratoriumanalyse noodzakelijk.
Een ander nadeel is dat sterk vervuilde, bijgevoegde of gemengde koelvloeistoffen de aflezing kunnen beïnvloeden. Roestdeeltjes, olie of additieven kunnen de drijflichamen plakken of zinken, waardoor de indicatie foutief laag of juist hoog kan uitpakken. Dit vereist dat je voordat je meet, het monster zo zuiver mogelijk neemt en bij twijfel meerdere malen of op verschillende plekken meet. Daarnaast zijn de testers mechanisch eenvoudig: de rubberen zuigballen kunnen bij intensief professioneel gebruik sneller slijten dan metalen pompen of duurdere apparaten. Dat betekent dat bij dagelijks zwaar gebruik vervanging of extra reserveballen aanbevolen zijn.
Tot slot meten deze testers alleen vorst- en kookpuntindicaties en geven geen informatie over corrosiviteit, pH, geleidbaarheid of veroudering van het antivriesadditief. Voor een volledig beeld van de koelvloeistoftoestand zijn aanvullende tests nodig. Ondanks deze beperkingen blijft de set waardevol voor snelle controles, maar gebruikers moeten zich bewust zijn van de grenzen van wat deze meetmethode kan waarborgen.